Tag Archief van: recht van weg

Erfdienstbaarheid. Geschil over uitleg van een recht van erfdienstbaarheid van weg. Verhouding recht om erf af te sluiten en uitoefening erfdienstbaarheid. Opheffing/wijziging erfdienstbaarheid.

Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 3 februari 2026 uitspraak gedaan over een erfdienstbaarheid van weg, over de omvang van het recht van weg (uitsluitend ongemotoriseerd of geen beperking) en de vordering tot opheffing althans wijziging van de erfdienstbaarheid.

Essentie

Partijen verschillen van mening over de uitleg van een recht van weg (het pad). Appellante (hierna : “A” en eigenaar van het heersende erf) stelt dat zij in de uitoefening van haar recht wordt belemmerd doordat geïntimeerden (hierna: “B” eigenaren van het pad/het dienende erf) een hek en bouwwerken op het pad hebben geplaatst. B betwisten dat en stellen dat de wijze waarop A het pad wil gebruiken een ongeoorloofde verzwaring van het recht van erfdienstbaarheid inhoudt. De rechtbank heeft B veroordeeld om het hek te verwijderen dan wel aan te passen. Het hof is van oordeel dat het hek na het bestreden vonnis door B zodanig is aangepast dat A voldoende toegang heeft tot het dienende erf en de erfdienstbaarheid kan uitoefenen. Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis.

Oordeel Hof:

  • Uitleg van het recht van weg

De vraag die voorligt is of het pad en het bruggetje (waarop de erfdienstbaarheid is gevestigd) mogen worden gebruikt door gemotoriseerde (bedrijfs)voertuigen. De discussie tussen partijen spitst zich met name toe op de vraag welke voertuigen over het bruggetje en het pad mogen rijden.

Op grond van artikel 5:73 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden de inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening bepaald door de akte van vestiging. Bij een uitleg van een notariële akte waarbij een erfdienstbaarheid is gevestigd, komt het aan op de partijbedoeling voor zover die in de notariële akte tot uitdrukking is gebracht. Deze bedoeling moet worden afgeleid uit de in de akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. Vast staat dat in de notariële akte van 9 juni 2016 een erfdienstbaarheid van weg is gevestigd ten laste van de percelen [nummer 13] , [nummer 9] en [nummer 8] van [geïntimeerden] Het hof is met de rechtbank van oordeel dat uit de bewoordingen van de akte niet volgt dat partijen hebben bedoeld aan de erfdienstbaarheid van weg een beperking te verbinden met betrekking tot de wijze van vervoer (zoals gemotoriseerd of ongemotoriseerd vervoer). Ook de verdere inhoud van de akte bevat geen aanwijzingen voor het bestaan van een dergelijke beperking.

Wel kunnen de eigenschappen van de brug en het pad zelf meebrengen dat de wijze waarop deze kunnen worden gebruikt aan bepaalde beperkingen onderhevig is. Deze beperkingen volgen dus uit de feitelijke situatie ter plaatse en de intrinsieke eigenschappen van het pad en het bruggetje. De erfdienstbaarheid is feitelijk gevestigd op een smalle strook grond en een smal bruggetje (waarvan het smalste gedeelte 2,81 meter breed is). Daarbij is relevant dat voertuigen een draai moeten maken om op het pad te geraken en er weer af te komen. Dat auto’s met aanhanger of trailer en vrachtwagens deze draai kunnen maken, is in hoger beroep niet gebleken. Het recht van erfdienstbaarheid strekt niet verder dan wat feitelijk mogelijk is en kan slechts worden uitgeoefend met inachtneming van de intrinsieke beperkingen die het bruggetje en het pad met zich brengen. Dit betekent dat het bruggetje en pad kunnen worden gebruikt door voertuigen voor zover dit gelet op hun lengte, breedte en gewicht mogelijk is. Dat gebruik van het pad en het bruggetje met gemotoriseerde voertuigen mogelijk is, blijkt overigens uit door A zelf overgelegde foto’s, daterend van oktober 2008, oktober 2014, juli 2016 en juli 2018.

Uit het voorgaande volgt dat met gemotoriseerde voertuigen van het pad en het bruggetje gebruik kan worden gemaakt met inachtneming van de intrinsieke beperkingen die deze met zich brengen. De (subsidiaire) vordering onder B van geïntimeerden is dan ook niet toewijsbaar. Gelet op de genoemde beperkingen kan niet in zijn algemeenheid worden geconcludeerd dat elk (bedrijfs)voertuig (met aanhangwagen of trailer) van het bruggetje en het pad gebruik kan maken. Om die reden is de door A gevorderde verklaring voor recht (vordering onder I) niet toewijsbaar. Uit het voorgaande volgt ook dat grief 1 van A in principaal hoger beroep en grief 1 van B in incidenteel hoger beroep – voor zover die grief de uitleg van de erfdienstbaarheid van weg betreft – niet slagen.

  • (Incidentele) vordering tot opheffing althans wijziging van de erfdienstbaarheid art. 5:78 en 5:79 Burgerlijk Wetboek (BW)

Volgens B heeft de rechtbank ten onrechte geen rekening gehouden met de gewijzigde bedrijfsvoering van A . Deze is van invloed op het door A gewenste gebruik. A heeft geen enkel redelijk belang meer bij het in 2016 gevestigde recht van erfdienstbaarheid ten aanzien van perceel van B, omdat er een andere route (met gebruikmaking van andere percelen) mogelijk is . Daarnaast heeft A geen belang bij handhaving van de erfdienstbaarheid op perceel [nummer 8] omdat zij ter hoogte van dat perceel gebruik kan maken van [straat 3] , zijnde een openbare weg aldus B.

a) Artikel 5:79 BW bepaalt dat de rechter een erfdienstbaarheid kan opheffen, indien de eigenaar van het heersende erf geen redelijk belang meer heeft bij de uitoefening en het niet aannemelijk is dat het redelijk belang daarbij zal terugkeren. B hebben ook in hoger beroep onvoldoende onderbouwd dat aan de voorwaarden van artikel 5:79 BW is voldaan. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat A een actueel en redelijk belang heeft bij gebruik van de erfdienstbaarheid ten laste van perceel [nummer 13] . A heeft immers aangevoerd dat zij van haar bedrijf naar de plek wil kunnen rijden waar de boten (die van en naar de stalling gaan) uit het water worden gehaald en waar [appellant] sinds enige tijd een eigen aanlegsteiger heeft. Op die manier kunnen personen, gereedschap of onderdelen worden vervoerd. Zonder gebruik van de erfdienstbaarheid van weg moet A omrijden via [straat 1] en dat is enige kilometers langer dan de doorsteek via de erfdienstbaarheid van weg naar [straat 2] . Daarbij komt dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, ontsluiting van [appellant] percelen [nummer 3] en [nummer 4] (nu: [nummer 15] ) naar de openbare weg ( [straat 1] ) nu nog mogelijk is via andere percelen van [appellant] . In geval van verkoop en levering van een of meer van die percelen aan een derde, is die mogelijkheid er in beginsel niet meer. Dan is de enige ontsluiting van genoemde twee percelen naar de openbare weg ( [straat 2] ) via de erfdienstbaarheid van weg. [straat 3] is geen openbare weg en die biedt niet zelfstandig een ontsluiting naar de openbare weg.

Gelet op het voorgaande faalt het beroep op artikel 5:79 BW dan ook.

b) Op grond van artikel 5:78 aanhef onder a BW kan de rechter op vordering van de eigenaar van het dienende erf een erfdienstbaarheid wijzigen of opheffen op grond van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de erfdienstbaarheid niet van de eigenaar van het dienende erf kan worden gevergd.

B stellen dat A pas ná de vestiging van de erfdienstbaarheid in 2016 haar bedrijfsvoering heeft gewijzigd en sinds 25 februari 2021 een aanlegsteiger en/of stalling aan [straat 2] 139 heeft. Anders dan de verwijzing naar deze aanlegsteiger, hebben B niets aangevoerd waaruit blijkt dat de bedrijfsvoering van A gewijzigd is. Maar ook als dit wel zou komen vast te staan, geldt dat dit geen onvoorziene omstandigheid in de zin van artikel 5:78 BW oplevert. Bij het vestigen van de erfdienstbaarheid was het bij B bekend dat A een bedrijf is dat zich bezig houdt met het stallen van boten en caravans. Het valt niet als onvoorzien te beschouwen dat een bedrijf in de toekomst wijzigingen in haar bedrijfsvoering doorvoert. Bovendien ligt mogelijke intensivering van het gebruik van de erfdienstbaarheid besloten in de erfdienstbaarheid zelf, omdat deze in dat opzicht geen beperking kent.

Heeft u vragen of een geschil over een erfdienstbaarheid, bijvoorbeeld over het bestaan (bijvoorbeeld op grond van verjaring) de inhoud en/of uitoefening daarvan, neem dan contact met ons op.

Voor de volledige uitspraak klikt u hier 

Recht afsluiten erf art. 5:48 BW en (belemmering) uitoefening recht van weg

In artikel 5:48 Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de eigenaar van een erf bevoegd is dit af te sluiten. Het gevolg van deze wettelijke bepaling is dat lagere wetgevers (zoals provinciale staten, gemeenteraden en waterschappen) niet bevoegd zijn aan eigenaars de bevoegdheid tot afsluiten geheel te ontnemen, maar wel om deze te beperken. Grens aan deze beperking is dat er nog een redelijke uitvoerbare afsluitbevoegdheid moet worden opengelaten.

Misbruik van bevoegdheid art. 3:13 BW

Omdat het gaat om een essentieel recht van de eigenaar van het erf, zullen hoge eisen gesteld moeten worden aan een eventueel aan te nemen misbruik van bevoegdheid door de eigenaar (Hof Arnhem 3 november 1992).

Erfdienstbaarheid

De bevoegdheid van de eigenaar zijn er af te sluiten, bestaat blijkens Hoge Raad (HR) 23 juni 2006 ook in het geval dat het erf belast is met een erfdienstbaarheid. Maakt hij van die bevoegdheid gebruik, dan dient hij ervoor te zorgen dat de eigenaar van het heersende erf onbelemmerd toegang behoudt tot het dienende erf teneinde de erfdienstbaarheid uit te oefenen.  In de regel zal dit betekenen dat de eigenaar van het dienende erf de eigenaar van het heersende erf de mogelijkheid biedt zich op elk moment en zonder telkens afhankelijk te zijn van de directe medewerking van de eigenaar van het dienende erf, de toegang tot het erf te verschaffen ter uitoefening van de erfdienstbaarheid.

In de zaak die hier werd besproken, had de eigenaar van het dienende erf de weg waarop een erfdienstbaarheid was gevestigd (een recht van weg) een hekwerk geplaatst. Volgens de eigenaar van het heersende erf werd daarmee de uitoefening van de erfdienstbaarheid belemmerd, de weg zou ter plaatse van het hekwerk (waarvan de eigenaar van het heersende erf de toegangscode had ontvangen) te smal zijn geworden. Het hof oordeelde hierover als volgt:

De uitoefening van het afsluitrecht, waaronder begrepen de wijze waarop de afsluiting plaatsvindt, wordt begrensd door het leerstuk van bevoegdheid (art. 3:13 lid 2 BW)  en de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (ECLI:NL:HR:2019:1907).

In de zaak die hier werd besproken, hebben de eigenaren van het hekwerk (geïntimeerden) geen sleutel, maar een code aan de buren (appellant en eigenaar van het heersende erf) verstrekt om het hek te kunnen openen. De eigenaren van het hekwerk hebben na het vonnis in eerste aanleg, de opening van het hekwerk aangepast. Appellant betoogt dat dat het na deze aanpassingen nog steeds ondoenlijk is om met de auto de draai vanaf de straat naar het pad te maken. Zij heeft ter onderbouwing van deze stelling een video overgelegd van de huidige situatie en de inspanningen die zij moet verrichten om vanaf straat op het pad te geraken.

Het hof ziet geen aanleiding de eigenaren van het hekwerk te veroordelen het hekwerk te verwijderen of de opening van het hekwerk te verbreden naar vier meter, zoals appellanten hebben gevorderd. Voorzover er sprake is van een beroep op misbruik van recht dan wel de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, faalt dat beroep omdat dit onvoldoende is onderbouwd. Uit de door appellant overgelegde videobeelden volgt dat zij voldoende toegang heeft tot het dienende erf omdat zij, weliswaar na een paar steekmanoeuvres, met haar auto door de opening van het hek kan rijden en zodoende de erfdienstbaarheid kan uitoefenen.

 

Heeft u naar aanleiding van dit artikel vragen, neem dan contact met ons op.